U bent hier: Home / Symposium / Verslag symposium ‘Penseelprinsessen’ 20 juni 2012

Verslag symposium ‘Penseelprinsessen’ 20 juni 2012

Naar aanleiding van het promotieonderzoek van Hanna Klarenbeek ‘Penseelprinsessen & broodschilderessen. Vrouwen in de beeldende kunst 1808-1913’ organiseerde het RKD op 20 juni jl. het symposium Penseelprinsessen. Vijf vrouwelijke kunsthistorici met verschillende achtergronden gaven op deze dag vanuit hun eigen perspectief een inzage in de positie van de vrouw in de kunstwereld en de stand van zaken van kunsthistorisch onderzoek over kunstenaressen.

Met een warm welkomstwoord begon de directeur van het RKD Rudi Ekkart de dag, waarbij Hanna Klarenbeek geprezen werd voor het hoge tempo en kwaliteit van haar onderzoek. Dagvoorzitter Chris Stolwijk, Hoofd Kunst bij het Van Gogh Museum en toekomstig directeur van het RKD, nam daarna het woord. Hij leidde de dag in met een korte bespreking van het onderzoek van Hanna en de constatering dat in kunsthistorisch onderzoek, ook in zijn eigen proefschrift, vaak weinig aandacht aan kunstenaressen besteed werd. Naar zijn verwachting zullen er die dag daarom voor de vele aanwezigen nieuwe inzichten gegeven worden in de beroepsgroep en de plaats daarvan in de tijd. Hierbij zullen sociaal-economische aspecten aan bod komen, evenals distributie en productie.

De eerste spreker van de dag was Els Kloek, hoofd Digitale Naslagwerken van het Huygens ING. Ze geeft o.a. leiding aan het Digitaal Vrouwenlexicon van. In haar lezing vertelde zij over de aanloop naar het starten van de Digitale Vrouwenlexicon en waarom zij dit van zo groot belang vindt. Na gepromoveerd te zijn met een genderonderzoek besloot zij, geïnspireerd door het leven van Judith Leyster, dat zij vrouwen uit de geschiedenis individueel wilde benaderen in plaats van als groep. Om hen een gezicht te geven is zij uiteindelijk in 2003 begonnen aan het Digitale Vrouwenlexicon waar inmiddels ongeveer 1250 biografieën van vrouwen in staan die op basis van hun reputatie of prestatie geselecteerd zijn. Volgend jaar komt Kloeks lang gekoesterde droom uit en verschijnt er een boek van de Lexicon ontworpen door Irma Boom genaamd ‘1001 vrouwen’.

De volgende spreker was Katlijne Van der Stighelen, werkzaam als hoogleraar aan het Departement Archeologie en Kunstwetenschappen van de K.U. Leuven. De Brusselse schilderes Michaelina Woutiers (1617/1618 – 1689) dient in haar lezing als voorbeeld om aan te tonen dat de grens tussen broodschilderes en penseelprinses niet altijd gemakkelijk te trekken is. Michaelina kwam uit een familie van stand en had een broer Charles Woutiers, die ook schilder was. Het zou goed kunnen dat Michaelina daardoor een goed netwerk had en mogelijkheden om het vak te leren. Er is van haar een gering aantal schilderijen bekend, waaronder zich er vier in de collectie van aartshertog Leopold-Wilhelm (1614-162) bevinden. Uit zijn administratie blijkt dat Michaelina geld ontving voor één van de schilderijen uit de collectie, iets wat zeer ongebruikelijk was voor een vrouw van stand. Er is weinig bekend over deze schilderes, terwijl haar werk zich zeker kan meten met het werk van mannelijke kunstenaars uit die tijd. 

De laatste spreker van het ochtendprogramma was Marjan Sterckx, docent aan de Universiteit Gent en de MAD-Faculty in Hasselt-Genk, die in haar lezing inging op haar proefschrift ‘Sisyphus’ dochters. Vrouwelijke beeldhouwers en hun werk voor de publieke ruimte, met de focus op Parijs, Londen, en Brussel, ca 1770-1953’. Hierin lichtte zij toe dat het vrouw-zijn beeldhouwsters in deze periode flink blijkt te hebben tegengewerkt; beeldhouwwerk vond men niets voor vrouwen omdat het fysiek te zwaar zou zijn en ze zouden er vuil van worden. Ruiterstandbeelden werden in geen van de drie steden door vrouwen vervaardigd (elders maakten ze ze wel), maar ze waren wel bedrijvig in heel wat andere domeinen van de publieke beeldhouwkunst, gaande van monumentale standbeelden ten voeten uit, over funeraire sculptuur, tot bustes in de foyers van theatergebouwen. In de lezing werd een veelheid van werken gepresenteerd waarmee beeldhouwsters, ondanks alle moeilijkheden, wel degelijk een plaats hebben weten te veroveren in de publieke ruimte.

Na een uitgebreide lunch, waarbij er de mogelijkheid was de vitrinetentoonstelling van Penseelprinsessen in het RKD te bekijken, werd er aan het middagprogramma begonnen.

De vierde lezing die gehouden werd door Marjan Groot, universitair docent Kunstnijverheid aan de universiteit Leiden, had als onderwerp vrouwen in de vormgeving tussen 1880-1940 en de verhouding van hun beroepssituaties tot die van vrouwen in de beeldende kunst. Zij noemde verschillende overeenkomsten en verschillen hiertussen. Zo waren overeenkomsten bijvoorbeeld het belang van tentoonstellingen, de journalistiek (vrouwentijdschriften), officiële netwerken zoals kunstenaarsverenigingen en onofficiële netwerken zoals vriendinnengroepen. Maar voor vrouwelijke ontwerpers waren bepaalde aspecten uit de beroepspraktijk ook anders dan voor vrouwen uit de beeldende kunst. Zij gingen bijvoorbeeld vaak samenwerkingen aan, de ateliers waren een nuttige en sobere werkplaatsen en ze hadden concretere beroepsperspectieven.

Tot slot nam Hanna Klarenbeek zelf het woord en gaf zij een toelichting op de insteek van de tentoonstelling Penseelprinsessen II in De Mesdag Collectie, die na de lezing gezamenlijk bezocht kon worden. In de tentoonstelling staan schilderessen centraal die schilderden om geld te verdienen. De toelating van vrouwen op de kunstacademies vanaf ongeveer 1850 was voor deze vrouwen een belangrijke stap. Omdat zij tot 1890 niet naar levend naakt mochten en vaak ook niet wilden schilderen, was het populairste genre voor kunstenaressen het stilleven. Op de Levende Meesters tentoonstellingen was hun kunst wel te zien maar relatief weinig. Ook vroegen de vrouwen hier minder geld voor hun schilderijen dan de mannen. Naast zich te bewijzen in de kunstwereld probeerden kunstenaressen ook de verwachtingen waar de maken een goede dochter, echtgenoot en moeder te zijn. Dit maakte het voor hen lastiger het beroep uit te oefenen dan voor mannen. Uiteindelijk wordt met de tentoonstelling De vrouw 1813-1913 erkenning gegeven aan vrouwelijke kunstenaars en daarmee vormt dit een einde van het onderzoek Penseelprinsessen.

Na een korte discussie over hoe het komt dat vrouwen zo snel vergeten werden in de kunstgeschiedenis, sluit de dagvoorzitter Chris Stolwijk de middag af en gaan de meeste aanwezigen op weg naar De Mesdag Collectie voor een bezoek aan de tentoonstelling Penseelprinsessen II. Met een borrel in de zonnige achtertuin van het museum komt het symposium tot een einde.

Puck van der Pijl 2012 

 

Print pagina http://www.penseelprinsessen.nl/symposium/verslag-symposium-2018penseelprinsessen2019-20-juni-2012